Maandelijks archief: mei 2012

Vrije sluitingstijden

Afgelopen maandag behandelde de gemeenteraad het initiatiefvoorstel van D66 en VVD over de vrije sluitingstijden van de Zwolse horeca. In dit blog aandacht voor aspecten die ik in mijn bijdrage namens de ChristenUnie aan de orde heb gesteld.

1. Het initiatiefvoorstel is gemaakt omdat D66 (VVD haakte later in) van mening is dat de overheid geen sluitingstijden moet opleggen, maar dit moet overlaten aan de markt. Er was/is dus geen probleem, men wil een principe gehonoreerd zien. Dat mag, maar als ik dit principe niet deel, kan ik het voorstel alleen daarom al niet steunen.
Er is wat mij betreft sprake van botsende belangen en van concurerende vrijheden: het belang van de horeca is doorgaans niet het belang van de binnenstadsbewoners. De grens tussen de vrijheden van partijen moet bewaakt worden door de overheid. In dit geval dus de gemeente.

2. Er zijn onderzoeken, die uitwijzen dat vrije openingstijden meer drankmisbruik veroorzaken. Dat is geen veronderstelling van mij, maar de uitkomst van onderzoeken. Dan staat dit voorstel dus loodrecht op al het beleid dat ontwikkeld en uitgevoerd wordt in het kader van alcoholmatiging. Ik begrijp dat dus niet. Helemaal al niet, omdat er geen probleem is, dat zou moeten worden opgelost. Men wil een principe gehonoreerd zien. Dat mag maar dan moeten we de effecten, positief en negatief, wel wegen.
Het initiatiefvoorstel is onder meer gebaseerd op de conclusie, dat vrijere sluitingstijden kunnen leiden tot een rustiger en veiliger leefklimaat in de binnenstad. Ik vraag aandacht voor het gebruikte werkwoord: kunnen. Het is dus geen vaststaand effect.
Sterker nog, er zijn gemeenten die hun beleid heroverwegen vanwege de negatieve effecten. Ik zeg dus niet, dat die effecten in Zwolle ook zullen optreden. Ik zeg wel, dat deze effecten op voorhand niet zijn uit te sluiten. De conclusie in het voorstel zet ik ook nu weer af tegen het feit dat er geen probleem behoeft te worden opgelost.
Nu is het goed geregeld. Het huidige beleid is uitgebreid en vooraf besproken met alle betrokken partijen: horeca, binnenstadbewoners, politie en gemeente.

3. Je mocht verwachten dat de initiatiefnemers in de aanloop naar het voorstel overleg gevoerd zouden hebben met dezelfde betrokken partijen. Het gaat immers niet alleen om het baas in eigen onderneming zijn van de horeca (uitspraak VVD in debat) maar om de gezamenlijke verantwoordelijkheid van betrokken partijen.
Het kenmerkende pricipe van interactieve beleidsvorming (vroeger noemden we dat beginpraak) is, dat we partijen niet confronteren met een gekozen oplossing, maar betrekken bij het ontwerpen van nieuw beleid. Van de inbreng van politie en binnenstadbewoners tijdens de informatieronde is weinig terug te vinden in de tweede versie van het voorstel. Daarmee wordt de vraag opgeroepen of er wel draagvlak is. In ieder geval is het democratisch gehalte van dit proces onder de maat.

4. Ik heb op zich waardering voor het initiatief van D66. Zij beogen met dit voorstel hun prinipe van uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid te verwezenlijken. Dat ik het daar niet mee eens ben, doet daar niets aan af. Ik heb minder waardering voor de inbreng van de VVD. Zij hopen dat het voorstel o.a. leidt tot meer omzet in de horeca (uitspraak Thom van Campen) en zij ziet dit voorstel als legitimering van een al bestaande praktijk (uitspraak Gerrit van der Kooij). Vooral die laatste uitspraak, als het waar is, maakt het wel lastig, zo niet onmogelijk, om het gevraagde vertrouwen in diezelfde ondernemers te hebben.

5. Kortom, ik hanteer het principe om bij twijfel niet in te halen. De effecten zijn ongewis, er is onvoldoende nagedacht over de randvoorwaarden en al helemal onduidelijk is, wanneer onverhoopte invoering een succes kan worden genoemd. Toch een eerste voorwaarde voor een gedegen evaluatie.
Niet doen dus.

 

 

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Zwolse politiek

Atlas 2012 voor gemeenten

Woensdag 23 mei is in Zwolle bij het Deltioncollege de nieuwe atlas voor gemeenten gepresenteerd. Een indrukwekkend boekwerk met gegevens van de 50 grootste gemeenten.
Ik moet de neiging onderdrukken om daar wat uit door te geven, omdat ik het in dit stukje vooral wil hebben over de speciale aandacht dit jaar voor het onderwerp optimale gemeentegrootte.
Dat was ook het onderwerp van de bijdrage van Gerard Marlet bij de presentatie. Marlet is op zoek gegaan naar criteria en indicatoren die een rol kunnen spelen bij het antwoord op de vraag hoe groot moet mijn gemeente zijn om effectief en efficiënt te kunnen zijn.
Het gaat dan niet alleen om efficiëntere bedrijfsvoering maar ook om de gedachte dat veel lokale problemen niet optimaal kunnen worden aangepakt binnen de eigen gemeente; dat lokale investeringen niet goed van de grond komen als de huidige indeling intact blijft (pagina 14)

Ik vraag me af of je voor een goede samenwerking de structuur moet aanpassen om een goede samenwerking te krijgen. Ik ben het eens met Tof Thissen (directeur KING, KennisInstituut Nederlandse Gemeenten) die in zijn bijdrage gisteren stelde dat relaties belangrijker zijn dan structuur.
Marlet stelt dat investeringen die (bijvoorbeeld) Zwolle doet op het gebied van cultuur, ook ten goede komt aan mensen uit gemeenten in de omgeving. Terwijl deze gemeenten niet bijdragen aan de investeringskosten.
Dat is een manier van redeneren waar je met gemak een andere redenering tegenover kunt zetten.
Om een economisch krachtige stad te zijn investeert Zwolle in zijn cultuur en culturele instellingen. Daarmee trek je mensen naar Zwolle, die niet alleen een kaartje kopen maar ook aankopen doen, de horeca bezoeken etc.
Een ander voorbeeld is het beleid om te komen tot meer werkgelegenheid. Daar worden budgetten voor beschikbaar gesteld, dus in geïnvesteerd. Als dan de baan gaat iemand uit een genabuurde gemeente, dan investeert Zwolle en bespaart die andere gemeente op een uitkering.
Je kunt ook redeneren vanuit de bedrijven waar die banen worden gecreëerd. Of vanuit de bedrijven die naar Zwolle worden gehaald en zo werkgelegenheid scheppen.

Voor mij zijn dat geen redenen om de structuren aan te passen. Het gaat veel meer om de juiste samenwerking en het breed houden van de blik.
Ik hoor Marlet niet over de mogelijke negatieve kant van grotere gemeenten, niet over de kans op een logger overheidsorgaan.
Voor mij is veel belangrijker dat we samenwerking niet laten afhangen van de grenzen die er zijn, maar van het dossier dat aangepakt moet worden. De eerste vraag is dan: met wie hebben/krijgen we te maken als we dit gaan aanpakken en welke samenwerkingsvorm is dan het meest effectief.
Het eerste hoofdstuk uit de Atlas 2012 “Naar een optimale gemeentegrootte” is een aardige gedachte-exercitie die punten aanreikt waarover je kunt nadenken. Wat mij betreft niet meer dan dat.
Daarmee is de kaart van Zwolle op de omslag, hoe leuk ook voor Zwolle, eerder een sprookje dan een toekomstscenario.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder algemeen