Maandelijks archief: april 2014

Rol oppositie bij onderhandelingen

“Helaas heeft het weinig zin om per mail een zinvolle bijdrage te leveren, stellen de respectieve fractievoorzitters Compagner, Rijke en Dogger, ‘omdat we geen enkel idee hebben van de stand van zaken van de onderhandelingen’. Rots schreef dat ze zich er ‘niet bij voorbaat’ bij neerlegde dat de college-onderhandelingen ‘eigenlijk per definitie achter de schermen plaatsvinden’.”

Bovenstaand citaat komt ut de brief van CDA, GL en SW aan de fractievoorzitter van de ChristenUnie.
Het is de moeite waard na te denken over de vraag of dit past in het proces van onderhandelen.
Het onderhandelingsproces kent, grofweg, twee fasen: de informatie en de formatie.

Informatie
Tijdend de informatie inventariseert de informateur de wensen, de onopgeefbare standpunten en de standpunten waarover onderhandeld kan worden.
Doel: komen tot een stabiele coalitie. Wordt er ruimte aan de ander gegund, is er voldoende vertrouwen.
Deze fase eindigt in een voorstel van de informateur: hij noemt partijen, waarvan hij vindt dat die voldoende vertrouwen in elkaar hebben en die kunnen komen tot een coalitieakkoord.
Daardoor ontstaat coalitie en oppositie.
Anders gezegd: partijen met overbrugbare standpunten en partijen waarvoor dat niet geldt.

Formatie
Dan start de tweede fase: de formatie. Onderhandelen over de inhoud van het akkoord.
Dat kan trouwens op meerdere manieren. Eindeloos onderhandelen totdat er een nietszeggend akkoord is. Of elkaar de ruimte gunnen voor inbreng van voor elke partij belangrijke punten. Die opnemen in het akkoord en dat ook als coalitiepartijen verdedigen.
Zo is het vier jaar geleden gegaan. Wat mij betreft (ervaring van 3 keer onderhandelen) was dat de prettigste manier en goed voor het onderlinge vertrouwen.
De dossiers, genoemd in het akkoord, komen op de agenda en dan kan de raad, coalitie en oppositie, haar inbreng leveren in het debat.

Oppositie
Tegen deze achtergrond vind ik het merkwaardig, dat oppositie-partijen in een open brief verlangen dat er een fase komt waarin zij mee kunnen onderhandelen.
Het verschil tussen oppositie en coalitie als resultaat van de informatie brengt met zich dat beoogde coalitiepartijen het akkoord schrijven. Daarbij moet er niet alleen ruimte zijn voor elk van de coalitiepartijen, maar ook voor de inbreng van de raad.
Tijdens de formatie onderhandel je dus niet met de oppositie. Dat kan gebeuren tijdens het debat over het collegeakkoord. Ik ben er voorstander van, dat amendementen kunnen worden ingediend om het akkoord aan te passen of aan te vullen.

Burgers
In deze fase zie ik geen ruimte voor burgers. Die hebben gestemd wat heeft geleid tot de verhoudingen in de raad. Wel moeten ze een grote rol krijgen bij de behandeling van de dossiers later in de collegeperiode.

Verantwoordelijkheden
Het verzoek in de open brief doet wat mij betreft onvoldoende recht aan de verschillende verantwoordelijkheden op verschillende momenten.

Advertenties

4 reacties

Opgeslagen onder Zwolse politiek

Kantelen – pure noodzaak

Een deze week al eerder doorgegeven citaat uit het WRR rapport, “Vertrouwen in de burger”:

“De grootste uitdaging is echter gelegen in het verwelkomen van maatschappelijke initiatieven die niet altijd gladjes ‘passen’ in het beleidsperspectief van beleidsmakers.”

Deze zin bleef bij me haken, toen ik deze week in de krant deze twee voorbeelden tegenkwam.

Het eerste voorbeeld ging over de plannen van de ondernemers aan het eind van de Diezerstraat (De Smeden). Zij willen daar de reuring terug en zijn bereid daar veel tijd en energie in te steken.
Het zou mooi zijn als de fietsen die er nu (in de weg) staan een andere plek kunnen krijgen.
Als dat het probleem is, denk ik dan.
Kom op gemeente, schouders er onder en aanpakken. Dat wordt dan een mooie entree aan die kant van de promenade.

Het tweede voorbeeld is het gedoe met de van Karnebeekstraat: het fietsen op de stoep, waardoor bewoners die de deur uitgaan kans lopen pardoes omver gereden te worden. Bewoners, zo zegt het bericht, zijn al 1,5 jaar “aan het bakkeleien” met de gemeente. Die dan denkt het probleem te tackelen met het plaatsen van een bord: “niet op het trottoir fietsen/brommen”. Tsja.

Gemeente: hup, aanpakken.
Ondersteun de initiatieven van de Diezerstraat ondernemers en los het probleem in de Van Karnebeekstraat op.

Ga kantelen en denk vanuit de burger en de ondernemer.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Zwolse politiek

Politiek en burgers – en nu?

De afgelopen dagen heb ik citaten doorgegeven uit een op zich groot aantal rapporten en brochures.

Wat opvalt is de mate van overeenkomst. Of het nu komt van het ROB, van de VNG, van de WRR, er is een duidelijke grootste gemene deler.
Al verschilt de formulering.

Welke elementen zijn voor mij bij denken over burgerbetrokkenheid van belang?
De volgende:
– Evenwicht tussen legitimiteit en effiency. Effiency is vooral het proces, legitimiteit gaat over het betrokken krijgen van burgers. Het gaat mij dan minder over de manier waarop volksvertegenwoordigers worden verkozen, meer over de vraag op welke manier zij burgers kunnen betrekken bij beleidsvorming.
– De grondhouding: van buiten naar binnen denken, out of the box, kantelen
– Werk meer vanuit een kader dan vanuit een dichtgetimmerd programma, met de kans dat dit programma door de tijd wordt ingehaald.
– Het van ouds verticaal georganiseerd bestuur moet zich, net als de samenleving doet, meer horizontaal orienteren.
– Burgerbetrokkenheid lukt alleen als bestuur en politici de kunst van het loslaten beheersen.
– Belangrijk instrument, de overheidsparticipatietrap: loslaten, faciliteren, stimuleren, regisseren, reguleren. Deze trap lukt alleen in een nieuwe structuur. Nog altijd worden nieuwe elementen – betrokkenheid van burgers bijvoorbeeld – geperst in de huidige structuur. Dat werkt dus niet.
– Denk dus vanuit burgers.
– Neem burgers serieus.
– Omarm maatschappelijke initiatieven, ook al passen ze niet direct in het dichtgespijkerde kader.
-De nieuwe rollen van ambtelijk apparaat (organisatie), college (besttur) en raad (politirk) zijn geduid in VNG-rapport.

In de verscheidenheid aan literatuur zit een grote mate van overlap. Dat vind ik het fascinerende.
Tegelijkertijd blijven we hangen in het voortdurend zeggen hoe het moet.

We moeten op zoek naar de eerste stap, op weg naar realisatie.
Die eerste stap is bepalend voor de slaagkans.

Mijn idee:
Breng een groep mensen bij elkaar die nadenken over de vraag wat de consequentie is voor hun functioneren
– wat betekent het voor de organisatie ( dus een paar beleidsambtenaren)
– wat moet er veranderen in de werkwijze van het college ((oud)-wethouders bijv)
– wat vraagt dat van de raad ((oud)-raadsleden)
Als hierover een beeld is, dit bespreken met de “doelgroep”: betrokken burgers, organisaties.

Ik zie parallellen met wat we ooit hadden, het Sociaal Economisch Forum. Dat dacht na over gewenst economische ontwikkelingen.

Toch maar opnemen in het collegeakkoord, dit voornemen.
Wat ook kan, een groep burgers initieert dit gewoon.

2 reacties

Opgeslagen onder algemeen, Zwolse politiek

politiek en burgers – vervolg – 6

In het VNG rapport, “Van eerste overheid naar eerst de burger” worden ook onderwerpen aangesneden die van belang zijn voor het nadenken over burgerbetrokkenheid. Vooral hoofdstuk 6 (de improviserende gemeente: naar een nieuwe rolopvatting?) is van belang. Uit dat hoofdstuk een aantal citaten.
Het hoofdstuk begint met twijfel over de effectiviteit van het huis van Thorbecke.
Bij mijn afscheid van de raad vroeg ik me al af hoe Thorbecke vandaag zijn huis zou hebben ingericht. Vanwaar die twijfel?
“In hoeverre komt ons democratisch stelsel tegemoet aan burgers die hun denkbeelden of voorkeuren met betrekking tot de publieke zaak in het politieke handelen willen terugvinden? Die kans is door allerlei factoren vrij gering.” Waarom is die kans gering?
“Overigens kunnen de meeste burgers ook de gang van zaken binnen die partij nauwelijks beïnvloeden omdat slechts een paar procent van het electoraat als lid bij een politieke partij aangesloten is. Hebben ze eenmaal hun voorkeur uitgesproken voor partij of kandidaat dan is het de vraag of deze deel van de regering gaan uitmaken. De sterke differentiatie van het politieke landschap in ons land maakt dat regeren altijd om een coalitie met andere partijen vraagt.”
“En gaat de coalitie eenmaal van start dan komt het regelmatig voor dat bestuurders van hun beloften afwijken omdat er inmiddels een nieuwe situatie is ontstaan of omdat ze hun verantwoordelijkheid als bestuurder zo serieus nemen dat ze hun programma prijsgeven.”
Conclusie van het rapport: “Het groeiend aantal mondige burgers heeft in toenemende mate moeite met de manier waarop het stelsel van Thorbecke functioneert.”
Het rapport stelt dan ook: “Het wordt meer en meer een zaak van de burgers zelf en dan vooral van degenen die een extra inspanning doen, die tijd en moeite besteden aan een maatschappelijk doel of die hun talenten inzetten om aan het algemeen belang bij te dragen.”
“Misschien moeten we nu een stap verder gaan door te erkennen dat er de komende jaren een dynamiek ontstaat die zich niet langer met de gebruikelijke middelen laat aansturen.”
Het rapport pleit dan ook voor de kunst van het improviseren. Dat moet dan wel in de lijn gebeuren.
Het rapport beschrijft het als volgt:

Ambtenaren (organisatie)
Niet alleen de gemeentelijke wijkcoördinatoren zijn zogenaamde big persons die de relatie tussen initiatieven en gemeente vormgeven. Hoewel het een precaire en zeer belangrijke functie is, zullen verreweg de meeste gemeentelijke ambtenaren zich in deze rol moeten gaan voegen en daartoe het maatschappelijk initiatief moeten doorgronden.

Collegeleden (bestuur)
Bestuurlijke wisselingen en het daarmee verloren gaan van gemaakte afspraken of mondelinge toezeggingen zijn een klassiek (en onoplosbaar lijkend) probleem, maar in verhouding tot maatschappelijke initiatieven wel bijzonder relevant.

Raadsleden (politiek)
Niet langer de gemeenteraad als enige platform zien voor democratische processen, maar erkennen dat democratische processen zich ook al in de samenleving afspelen onder andere in maatschappelijke initiatieven. De rol van de raad kan dan vooral procesmatig zijn in het helpen vormgeven van de dagdagelijkse democratie in buurten en wijken. Vroegtijdig aansluiting zoeken bij maatschappelijke initiatieven om daarover mee te denken en daarin ook een nieuwe achterban te vinden.
Het rapport waarschuwt: “Ten slotte wijzen wij op een meer algemene consequentie van dit alles. Er zal zowel op ambtelijk, als op bestuurlijk en op politiek niveau een grotere mislukkingstolerantie moeten ontstaan.”

Het hoofdstuk eindigt met 7 stellingen.
“1. Er is een nieuwe maatschappelijke realiteit ontstaan die de gemeenten vroeg of laat tot een nieuwe rolopvatting dwingt.
2. De dynamiek van maatschappelijke initiatieven stelt de gemeente in staat om ruimere definities van de publieke zaak te ontwikkelen.
3. Contacten met de burgers die zich inzetten voor een maatschappelijk initiatief moeten primair in het teken van erkenning en waardering staan.
4. Het feit dat de gemeente vaak een invloedrijke speler is, betekent dat haar optreden niet aan lagere maar juist aan hogere eisen moet voldoen.
5. Maatschappelijke initiatieven zouden vaker aanleiding voor experimenten moeten zijn waarbij de gemeenten hun vermogen tot improviseren versterken.
6. Wil de gemeente een rol spelen bij de bloei van een maatschappelijk initiatief, dan moet ze rekening houden met de specifieke uitdagingen die zich per fase aandienen.
7. Gemeenten kunnen hun rol als ‘eerste overheid’ alleen waarmaken als ze de kansen die uit deze maatschappelijke initiatieven voortvloeien ten volle aangrijpen.”

1 reactie

Opgeslagen onder Zwolse politiek

Politiek en burgers – vervolg – 5

Het rapport van Sociaal Cultureel Planbureau “Een beroep op de burger” reikt een drietal visies aan op de verhouding tussen overheid en burgers.

Hoofdstuk 14 van het rapport gaat over verschuivende verantwoordelijkheden.
In paragraaf 14.3, ‘visie op de burger’, wordt een naar mijn mening nuttig onderscheid gemaakt:
“Er bestaan verschillende ideologische visies op de verhouding van burgers ten opzichte van de samenleving en de overheid. We onderscheiden
– een liberale,
– een communitaristische
– een (neo-)republikeinse burgerschapsvisie.
+ Volgens de liberale visie is een goede burger voldoende competent om van zijn rechten gebruik te maken en zijn plichten na te komen, maar heeft hij als vrij individu binnen de grenzen van de wet geen verdere verplichtingen naar de maatschappij.

+ Een communitaristische burger identificeert zich met zijn eigen sociale en culturele gemeenschap. Het belang van de eigen groep en het individuele belang zijn via socialisatie en solidariteit aan elkaar verbonden.

+ In de republikeinse visie staat het handelen van een deugdzame burger in het teken van een goed functionerende democratische gemeenschap. Zijn plicht en loyaliteit liggen dan ook allereerst bij de nationale staat. De veronderstelling is dat de burgerschapsvisie van beleidsmakers mede verklaart welke verantwoordelijkheden zij de burger toeschuiven.”

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder algemeen, Zwolse politiek

Politiek en burgers – vervolg – 4

In deze bijdrage geef ik citaten door uit het WRR-rapport “Vertrouwen in burgers”.

Ook deze citaten zijn bedoeld als bouwstenen voor het nadenken over het vergroten van de burgerbetrokkenheid.
Het rapport relativeert direct haar eigen bevindingen:
“Het WRR-rapport Vertrouwen in burgers onderzoekt dan ook wat beleidsmakers kunnen doen om burgers beter te betrekken. Een definitief antwoord daarop is gezien de complexiteit van onze huidige samenleving niet mogelijk. Wel biedt het rapport een wezenlijke basis voor handelen.”
In een aantal paragrafen wordt deze basis aangereikt.

– De uitdaging
Het belangrijkste begrip is vetrouwen.
“Het trefwoord van een levende democratie die bouwt op burgerbetrokkenheid is vertrouwen.”
Het rapport beschrijft op haar manier de kloof tussen geloof in de democratie en het wantrouwen jegens de politiek (denk aan Van Reybrouck):
“Hoewel Nederlanders in het algemeen tevreden zijn met het functioneren van de democratie, blijkt toch dat in een steeds complexere samenleving grote groepen burgers zich onvoldoende herkennen in ‘hun’ politiek: ze voelen zich overvraagd, ze hebben weinig vertrouwen in hun eigen vermogen om de politiek te beïnvloeden, ze geloven niet dat de politiek opkomt voor hun belangen, of ze denken dat hun maatschappelijke doelen beter zonder beleidsmakers zijn te realiseren.”

Het schiet niet op met het versterken van de burgerbetrokkenheid:
“Ondanks de grote inspanningen en de veelvuldige experimenten worden weinig warme woorden gesproken of geschreven over de voortgang van het overheids-beleid met betrekking tot burgerbetrokkenheid. Nog te vaak gaat het mis en het instrumentarium is sleets.”
Tegelijkertijd zegt het rapport dat burgers inventief blijken te zijn en veel te kunnen.

– De praktijk
Wat zijn voorwaarden voor die burgerbetrokkenheid?
“De meest indringende les die uit dat onderzoek naar voren kwam is: burgerbetrok-kenheid vereist denken vanuit burgers. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar de praktijk blijkt weerbarstig. Burgers zijn namelijk op verschillende manieren betrokken. De WRR maakt een onderscheid tussen beleidsparticipatie, maatschappelijke parti-cipatie en maatschappelijke initiatieven.”
In 2006 schreef ik al (De kloof) dat burgers geen gelijk hoeven te krijgen, ze willen serieus genomen worden.
Het rapport zegt het zelfde, op haar manier.
“Burgers beschouwen hun inbreng als succesvol als deze een gewenste oplossing dichterbij brengt; op zijn minst willen ze serieus worden genomen.”
“Mensen begrijpen meestal wel dat ze hun zin niet kunnen krijgen, als hun argumenten maar wel meegenomen zijn in de besluitvorming.”

Een tweede voorwaarde is dan ook:
“Beleidsmakers kunnen betrokkenheid ondersteunen door burgers serieus te nemen, door zorg te dragen voor een voortdurende informatie-uitwisseling, en door het waarborgen van een scherpe focus: wat kan wel en wat kan niet.”

Dit gaat niet zo maar: “Het past lang niet altijd binnen het wereldbeeld van de beleidsmakers dat burgers ook experts kunnen zijn.”

– De duiding
Op welke manier kan de overheid appelleren aan burgerbetrokkenheid?
“Mensen willen en kunnen betrokken zijn als de uitdaging past bij hun behoeften en ze denken te beschikken over de toerusting die vereist is om passende antwoorden te vinden.”
“Burgerbetrokkenheid in de complexe samenleving vereist daarom vooral een geloof in de veerkracht van de vernetwerkte samenleving, met de bijbehorende ruimte voor burgers die elkaar vinden in steeds effectievere samenwerkingsverbanden.”

Het rapport spreekt heel nadrukkelijk het openbaar bestuur aan (denk aan de overheidsparticipatieladder van de ROB):
“De kunst van het openbaar bestuur is in hoge mate het laten van een gepaste ruimte aan burgers: weet wanneer je nodig bent en blijf weg als dat niet het geval is. Een cultuurverandering binnen het openbaar bestuur is daarvoor essentieel en beleidsmakers moeten grotere stappen zetten dan tot nu toe is gedaan. Meer ruimte voor ambtenaren en nieuwe instrumenten voor burgerparticipatie is niet voldoende. De huidige samenleving vergt het besturen van het onbestuurbare. Dat betekent een grote uitdaging voor beleidsmakers die uithoudingsvermogen vergt.”

– Bouwen aan vertrouwen
Bij het bouwen aan vertrouwen in de burger “gelden twee uitgangspunten: denk vanuit burgers en vergroot de kaders.”

Burgers: “Wie burgers wil betrekken, moet denken vanuit hun perspectief. Burgers hebben uiteenlopende behoeften en kwaliteiten en het is zaak daar in een netwerksamenleving rekening mee te houden.”

Kaders: “De grootste uitdaging is echter gelegen in het verwelkomen van maatschappelijk initiatieven die niet altijd gladjes ‘passen’ in het beleidsperspectief van beleidsmakers.”

Instrumenten voor het bouwen aan vertrouwen: Creëer tegenspel, vergroot alledaagse invloed, stimuleer maatschappelijk verkeer, bouw steunpilaren.

– Aanzetten tot verandering
Het rapport eindigt met een voorwaarde waar ik al jaren aandacht voor vraag, samen-maken-we-de-stad vraagt een geheel nieuwe beslisstructuur.
Het rapport zegt het zo:
“De doorbraak naar een ander betrokkenheidsbeleid vergt een aanzienlijke veran-dering van de overheidscultuur, een verandering op basis van visie, rugdekking en vonk.”

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder algemeen, Zwolse politiek

Politiek en burgers – vervolg – 3

De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft nog een nuttige brochure het licht doen zien: Loslaten in Vertrouwen (2012).

In dit stukje daaruit citaten, die bedoeld zijn als bouwstenen voor het denkproces over de relatie tussen politiek en burgers.
Ik beperk me tot citaten uit de samenvatting, hoewel het hele advies meer dan de moeite waard is om kennis van te nemen.

De samenvatting begint als volgt:
“Nu het geloof in de markt als de plaats waar complexe problemen in een spel van vraag en aanbod het beste kunnen worden opgelost aan erosie onderhevig is en het vertrouwen dat de overheid veel van die taken weer kan terugnemen ontbreekt, vindt het pleidooi voor burgers die meer verantwoordelijkheid nemen voor de publieke zaak gretig aftrek.”

Een tweede overweging:
“Met zijn doelstelling te komen tot een compacte overheid sloot het kabinet-Rutte I zich bij de roep om een verschuiving van taken en verantwoordelijkheid naar de samenleving aan.”
Met de volgende kanttekening:
“Volgens de Raad is sprake van vermaatschappelijking als de overheid publieke taken en de daarbij behorende verantwoordelijkheden en bevoegdheden overlaat aan burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven.”

Twee overwegingen dus voor de verschuiving van taken van de overheid naar de samenleving: meer verantwoordelijkheid voor burgers en de wens van een compacte overheid.

De ROB plaatst de volgende kanttekeningen:
– “Aan pleidooien voor burgers die meer taken van de overheid moeten overnemen ligt doorgaans het impliciete oordeel ten grondslag dat burgers zich nu nog te weinig betrokken tonen of onvoldoende hun verantwoordelijkheid nemen. Een overvloed aan onderzoeken toont echter aan dat Nederland zich kan verheugen in zeer actieve en betrokken burgers.”

– “De motivatie van de overheid bij het overdragen van publieke taken aan burgers en hun verbanden is daarbij cruciaal. Die ligt nu eenzijdig bij bezuinigen en de realisatie van een ‘compacte overheid’. De belangrijkste reden voor vermaatschappelijking zou echter de erkenning moeten zijn dat politiek en bestuur voor kennis en ervaring afhankelijk zijn van de inbreng vanuit de samenleving, dat de overheid het uiteindelijk niet alleen kan.”

De ROB waarschuwt ook nadrukkelijk:
– “Vermaatschappelijken van publieke taken is een recept voor teleurstelling als bewoners en hun verbanden worden gereduceerd tot uitvoeringsinstanties die de orders vanuit het gemeentehuis moeten uitvoeren.”
– “De voorwaardenscheppende staat heeft alleen kans van slagen als ook de domeinen van markt en samenleving adequaat functioneren en ze onderling met elkaar in balans zijn. De drie domeinen moeten daar worden ingezet waar hun logica en eigenschappen winst kunnen opleveren. De omslag betekent bovendien een andere werkwijze voor ambtenaren. Die zullen meer de procesbegeleider moeten worden die met betrokkenen en belanghebbenden – waaronder het politieke bestuur – toewerken naar een duidelijk omschreven doel en de daaraan verbonden noodzakelijke interventies.”
– “Politici en bestuurders moeten leren loslaten, durven zeggen dat de overheid niet overal over gaat. Zij kunnen niet elk probleem oplossen of elk gevaar uitsluiten.”

Deze laatste waarschuwing is mij uit het hart gegrepen. De praktijk laat zien dat dit vreselijk lastig is. De burger wordt een plek gegund, maar dan wel in het bestaande systeem. Vandaar ook dat de ROB stelt:
– “Aan de rolverandering van de overheid ligt niets minder dan een paradigmashift ten grondslag. De omslag begint door ervan uit te gaan dat wat nodig is in de eerste plaats groeit in de samenleving en haar gemeenschappen.”
– “Ruimte geven aan de vitaliteit van de samenleving krijgt meer kans als de overheid de overheidsparticipatietrap zo min mogelijk beklimt.”

Hoe ziet die overheidsparticipatietrap er uit?
1. Loslaten ~ Wanneer de overheid een taak helemaal loslaat, heeft ze inhoudelijk noch in het proces enige bemoeienis.
2. Faciliteren ~ De overheid kiest een faciliterende rol als het initiatief van elders komt en zij er belang in ziet om dat mogelijk te maken.
3. Stimuleren ~ Een trede hoger heeft de overheid wel de wens dat bepaald beleid of een interventie van de grond komt, maar de realisatie daarvan laat ze over aan anderen. Ze zoekt slechts naar mogelijkheden om die anderen in beweging te krijgen
4. Regisseren ~ Wanneer de overheid kiest voor regisseren, betekent dat ook andere partijen een rol hebben maar dat de overheid er belang aan hecht wel de regie te hebben.
5. Reguleren ~ Bovenaan de trap staat het zwaarste instrument dat de overheid kan inzetten, namelijk regulering door wet- en regelgeving.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Zwolse politiek