politiek en burgers – vervolg – 6

In het VNG rapport, “Van eerste overheid naar eerst de burger” worden ook onderwerpen aangesneden die van belang zijn voor het nadenken over burgerbetrokkenheid. Vooral hoofdstuk 6 (de improviserende gemeente: naar een nieuwe rolopvatting?) is van belang. Uit dat hoofdstuk een aantal citaten.
Het hoofdstuk begint met twijfel over de effectiviteit van het huis van Thorbecke.
Bij mijn afscheid van de raad vroeg ik me al af hoe Thorbecke vandaag zijn huis zou hebben ingericht. Vanwaar die twijfel?
“In hoeverre komt ons democratisch stelsel tegemoet aan burgers die hun denkbeelden of voorkeuren met betrekking tot de publieke zaak in het politieke handelen willen terugvinden? Die kans is door allerlei factoren vrij gering.” Waarom is die kans gering?
“Overigens kunnen de meeste burgers ook de gang van zaken binnen die partij nauwelijks beïnvloeden omdat slechts een paar procent van het electoraat als lid bij een politieke partij aangesloten is. Hebben ze eenmaal hun voorkeur uitgesproken voor partij of kandidaat dan is het de vraag of deze deel van de regering gaan uitmaken. De sterke differentiatie van het politieke landschap in ons land maakt dat regeren altijd om een coalitie met andere partijen vraagt.”
“En gaat de coalitie eenmaal van start dan komt het regelmatig voor dat bestuurders van hun beloften afwijken omdat er inmiddels een nieuwe situatie is ontstaan of omdat ze hun verantwoordelijkheid als bestuurder zo serieus nemen dat ze hun programma prijsgeven.”
Conclusie van het rapport: “Het groeiend aantal mondige burgers heeft in toenemende mate moeite met de manier waarop het stelsel van Thorbecke functioneert.”
Het rapport stelt dan ook: “Het wordt meer en meer een zaak van de burgers zelf en dan vooral van degenen die een extra inspanning doen, die tijd en moeite besteden aan een maatschappelijk doel of die hun talenten inzetten om aan het algemeen belang bij te dragen.”
“Misschien moeten we nu een stap verder gaan door te erkennen dat er de komende jaren een dynamiek ontstaat die zich niet langer met de gebruikelijke middelen laat aansturen.”
Het rapport pleit dan ook voor de kunst van het improviseren. Dat moet dan wel in de lijn gebeuren.
Het rapport beschrijft het als volgt:

Ambtenaren (organisatie)
Niet alleen de gemeentelijke wijkcoördinatoren zijn zogenaamde big persons die de relatie tussen initiatieven en gemeente vormgeven. Hoewel het een precaire en zeer belangrijke functie is, zullen verreweg de meeste gemeentelijke ambtenaren zich in deze rol moeten gaan voegen en daartoe het maatschappelijk initiatief moeten doorgronden.

Collegeleden (bestuur)
Bestuurlijke wisselingen en het daarmee verloren gaan van gemaakte afspraken of mondelinge toezeggingen zijn een klassiek (en onoplosbaar lijkend) probleem, maar in verhouding tot maatschappelijke initiatieven wel bijzonder relevant.

Raadsleden (politiek)
Niet langer de gemeenteraad als enige platform zien voor democratische processen, maar erkennen dat democratische processen zich ook al in de samenleving afspelen onder andere in maatschappelijke initiatieven. De rol van de raad kan dan vooral procesmatig zijn in het helpen vormgeven van de dagdagelijkse democratie in buurten en wijken. Vroegtijdig aansluiting zoeken bij maatschappelijke initiatieven om daarover mee te denken en daarin ook een nieuwe achterban te vinden.
Het rapport waarschuwt: “Ten slotte wijzen wij op een meer algemene consequentie van dit alles. Er zal zowel op ambtelijk, als op bestuurlijk en op politiek niveau een grotere mislukkingstolerantie moeten ontstaan.”

Het hoofdstuk eindigt met 7 stellingen.
“1. Er is een nieuwe maatschappelijke realiteit ontstaan die de gemeenten vroeg of laat tot een nieuwe rolopvatting dwingt.
2. De dynamiek van maatschappelijke initiatieven stelt de gemeente in staat om ruimere definities van de publieke zaak te ontwikkelen.
3. Contacten met de burgers die zich inzetten voor een maatschappelijk initiatief moeten primair in het teken van erkenning en waardering staan.
4. Het feit dat de gemeente vaak een invloedrijke speler is, betekent dat haar optreden niet aan lagere maar juist aan hogere eisen moet voldoen.
5. Maatschappelijke initiatieven zouden vaker aanleiding voor experimenten moeten zijn waarbij de gemeenten hun vermogen tot improviseren versterken.
6. Wil de gemeente een rol spelen bij de bloei van een maatschappelijk initiatief, dan moet ze rekening houden met de specifieke uitdagingen die zich per fase aandienen.
7. Gemeenten kunnen hun rol als ‘eerste overheid’ alleen waarmaken als ze de kansen die uit deze maatschappelijke initiatieven voortvloeien ten volle aangrijpen.”

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Zwolse politiek

Een Reactie op “politiek en burgers – vervolg – 6

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s