Tagarchief: democratie

Burger en politiek

Als je er over nadenkt is het uiterst merkwaardig.
Burgers willen invloed op de besluitvorming in de gemeenteraad en willen op zijn minst raadgevende referenda als instrument. De Haagse politiek heeft gezegd dat dit niet werkt en wil er, kort door de bocht geformuleerd, vanaf. Dat levert de nodige protesten op, die vooral neerkomen op aanslag op de democratie en de democratische waarden.
Tegelijkertijd kun je nu lezen dat politieke partijen, in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen, worstelen om hun kandidatenlijst een beetje gevuld te krijgen. Zo erg dat sommige partijen in bepaalde plaatsen niet eens meedoen aan de verkiezingen in maart.
Een merkwaardige contradictie.

(Even tussendoor.
Ik zie parallellen met vrijwilligerswerk. Het is lastig om vrijwilligers te krijgen, behalve als het voor een kortdurende en afgebakende periode is.)

Ik wil maar zeggen, je komt er niet door alleen maar na te denken over de relatie burger en politiek. Je moet naar een nieuwe structuur, ik wees er al eerder op.
Maar dat niet alleen. Kim Putters heeft in zijn Lunshof-lezing in 2016 aandacht gevraagd voor een vijftal aandachtsgebieden:
Hij formuleert in deze lezing de agenda van de democratie:
Het zijn 5 voorstellen als antwoord op de democratieparadox.
1. Nieuwe combinaties van representatieve en participatieve democratie
2. Grotere griffies, betere scholing en hogere vergoedingen voor raadsleden.
3. Betere en actieve rekenkamers
4. Betere bezwaar- en beroepsprocedures en lokale ombudsfuncties.
5. Meer onafhankelijke informatievoorziening en sterkere media.

Er zal dus meer moeten gebeuren dan een avond geïnteresseerde burgers bevragen. Al is dat ook nodig. Maar als je als raad geen aandacht besteed aan de door Putters genoemde aandachtsgebieden, levert het niets op.
Ik schreef er eerder (november 2016) onderstaand artikel over, door op elk van genoemde punten een korte reactie te geven.

Democratie en de burger
De social media laten zien, dat referenda, raadgevend dan wel raadplegend, als paddenstoelen uit de grond vliegen. Wat je er ook van vindt, het laat zien dat burgers behoefte hebben aan invloed tussen de verkiezingen in. In jargon, er is een verschuiving nodig van representatieve democratie naar participatieve democratie.
De vraag is dan: wat is de politieke infrastructuur die daarvoor nodig is.
Er zijn al veel publicaties over dit dossier, waarvan de Lunshoflezing (op moment van schrijven van dit artikel) de laatste is.
Zie ook: https://johnvanboven.com/2015/11/24/herijking-democratie-2/

Ik denk dat het langzamerhand tijd wordt om “praten over” om te zetten in “handelen naar”.
Ik hoop dat vanaf nu gefocused wordt op de vraag wat er gedaan moet worden om burgers een eigen plek met eigen verantwoordelijkheden te geven in de gewenste politieke infrastructuur.

1. Nieuwe combinaties van representatieve en participatieve democratie
De directeur van het SCP zegt over het eerste agendapunt het volgende:
Dat kan via referenda, online raadplegingen, echte zeggenschap in wijkraden, verzekerdenraden en burgerplatforms. Geen Stijl dwingt het referendum nu gewoon af, maar vooral als afrekening met politici dat de afstand tot de politiek eerder vergroot. Dit is een kans om met een visie te komen op hoe referenda de mening van mensen kunnen laten meewegen bij besluitvorming. Pas dan kun je het democratisch tekort wegwerken. Lokaal werkt dat vaak al goed, daarvan kunnen het nationaal en Europees bestuur veel leren.

In Zwolle kennen we begrippen als “Samen maken we de stad” en “interactieve beleidsvorming”. Waar we nog niet aan toegekomen zijn is, om deze manier van werken vast te leggen in, wat ik dan maar noem, een protocol. Vanuit het oogpunt van glashelder verwachten moet de burger weten welke instrumenten hem ten dienste kunnen staan (dat zullen er meer moeten zijn dan nu, gelet op de toegenomen betrokkenheid), wanneer hij er gebruik van kan maken en wat de politiek zal doen met de uitkomsten. Ook moet duidelijk zijn welke verplichtingen de politiek heeft jegens de burgers en wanneer zij die verplichtingen moet effectueren.
Eerste opdracht moet dus zijn het beschrijven van de instrumenten die ingezet kunnen worden én het formuleren van een protocol. Het lijkt me verstandig hierbij ook Zwollenaren te betrekken.

2. Grotere griffies, betere scholing en hogere vergoedingen voor raadsleden.
Over het 2e punt van de agenda van de democratie zegt Kim Putters:
Er zijn kennis en competenties nodig om inclusie, invloed, deliberatie, burgerschap, transparantie, efficiëntie, proportionaliteit, vrijheid van meningsuiting en legitimiteit te
bereiken. Dat is niet iets dat politieke partijen maar zelf moeten onderwijzen, dat moeten we collectief doorleven. Pas daarna kun je het inkleuren met mening of ideologie. Anders blijft het lastig sturen op lokale democratische processen en daarnaast af te wegen wanneer je als raad intervenieert of het aan het maatschappelijk initiatief of het college laat. Voorlopig staat de gemeenteraad nog op 5-0 achter op het college van BenW.

Dit agendapunt is een opdracht voor de gemeenteraad zelf. Hoe het nu gaat weet ik niet, maar in “mijn tijd” werd je als raad bij het begin van een nieuwe collegeperiode uitgenodigd voor bijeenkomsten waar je ingewijd werd in zaken waar je als raadslid mee te maken kreeg. Bekeken moet worden, zo vind ik, of dit meer en strakker geïnstitutionaliseerd moet worden. Een soort leergang, die gehouden kan worden wanneer er onderhandeld wordt over een nieuw college en over het collegeakkoord.
Dat is dan de tweede opdracht, deze keer voor de griffie: stel een leergang samen.
Ik vraag me verder af of een grotere griffie wenselijk is. Het risico bestaat dat er twee ambtelijke organisaties ontstaan. Beter is de mogelijkheden van het betrekken van ambtenaren (niet zijnde de griffie) bij het raadswerk te beschrijven.
Een ruimere vergoeding lijkt me niet een prioriteit van de eerste orde.

3. Betere en actieve rekenkamers
Dit agendapunt wordt in de lezing zo uitgewerkt:
Er zijn verplicht actieve lokale rekenkamers nodig die uitgaven van gemeenten controleren op doelbereik. Veel gemeenten hebben er in het kader van bezuinigingen een slaapkamer van gemaakt, maar dat kan echt niet. Er is niet een kleinere maar een betere ambtenarij nodig die kritisch en deskundig is en bovenal in de huid van burgers kan kruipen. Een overheid die niet oplegt, maar vragen stelt. Daar zijn die rekenkamers en goed geëquipeerde griffies voor nodig. Menig collegepartij won de verkiezingen met een pleidooi voor bezuinigingen hierop. Ze snijden zichzelf en onze democratie nu in de vingers. De Algemene Rekenkamer kan landelijk enkel fatsoenlijk zijn werk doen als dit lokaal ook op orde is.

Hier ben ik het gloeiend mee eens. Ik heb de indruk dat de Zwolse rekenkamer niet de waardering krijgt die ze verdient. Het is aan de gemeenteraad om de waarde van de RKC in te zien en er gebruik van te maken op het controleren van het doelbereik. Uit mijn tijd bij de rekenkamer weet ik nog hoe lastig het soms was om een oordeel te geven over de doelmatigheid. Nergens was beschreven wat beoogd werd met het ingezette beleid. Er kon dus nauwelijks wat gezegd worden over de “prijs-prestatie verhouding”. De RKC moet nagaan op welke wijze zij haar betekenis bij de gemeenteraad kan afdwingen.
De derde opdracht, naar aanleiding van de agenda van de democratie is tweeledig. De raad moet vastleggen op welke wijze en wanneer de RKC effectief kan worden ingezet bij haar controlerende rol. De rekenkamer zal moeten nagaan hoe zij haar positie kan verstevigen.

4. Betere bezwaar- en beroepsprocedures en lokale ombudsfuncties.
Het vierde agendapunt krijgt de volgende uitwerking:
Dit zijn instituties die je ook met een aantal gemeenten samen in het leven kunt roepen. Pleiten voor meer bezwaar en beroep is in deze tijd not done vanwege administratieve lasten en kosten, maar ik doe het toch. Juist de meest kwetsbare en minst mondige mensen komen vanwege het huidige democratisch tekort niet automatisch aan bod. Opgeteld bij een toename aan discriminatie, zowel op straat als op de arbeidsmarkt, op leeftijd, etniciteit en geloof, is dit fundamenteel voor een democratische rechtsstaat.

Wat mij vooral aanspreekt is het in het leven roepen van een lokale ombudsfunctie. Ik heb er vaker voor gepleit op mijn weblog. Het is de brugfunctie tussen Zwollenaren en “het stadhuis” wanneer er vragen zijn of wanneer er onvrede is en er geen handen en voeten aan gegeven kan worden. Nagedacht worden over de vraag of dat een op zich staande functie moet zijn of dat het wordt toegevoegd aan de griffie.
Ik ben ook gevoelig voor de opmerking dat de meest kwetsbaren en minst mondige Zwollenaren ook aan bod moeten komen. Daar moet wat op gevonden worden. Wellicht kan dat ook specifiek worden ondergebracht bij de ombudsfunctie. De taken en bevoegdheden van deze functie moeten dat dan mogelijk maken.
De vierde opdracht staat daarmee ook vast: maak een beschrijving van de ombudsfunctie, inclusief taken en bevoegdheden.

5. Meer onafhankelijke informatievoorziening en sterkere media.
Het laatste agendapunt licht de directeur van het SCP zo toe:
We zien in landen als Turkije en Italië hoe vitaal dat is, zeker als media weinig pluriform zijn of teveel op de hand van een politieke stroming raken. De fusies in de dagbladpers die hadden moeten worden tegengehouden hebben al lang plaatsgevonden. De enkele fusie die van hogerhand is tegengehouden (Limburg) had net zo goed door kunnen gaan. Een samenhangende toekomstvisie op en door de media zelf bij het bestrijden van het democratisch tekort, heb ik nog niet gezien. En het kabinet heeft daar ook geen antwoord op. In de Tweede Kamer is al wel een motie Van Dijk aangenomen die een halt beoogt toe te roepen aan de omvang van de overheidsvoorlichting. Dat wil ik onderstrepen, niet vanuit efficiency of kosten, maar omdat overheidsvoorlichting altijd gekleurd is door bestuurders. De pers hoort dat gat op te vullen met objectieve journalistiek, in plaats van achter een overvloed aan pogingen om ons politiek te overtuigen aan te lopen.

Ik denk dat dit meer een oproep is aan de plaatselijke pers dan dat de politiek er wat mee kan (anders dan de oproep doen). Het sleutelwoord is: objectieve journalistiek. Wellicht is een goed gesprek van de politiek met de pers een begin. Wat drijft elk van de partners. Ook kan dan de rol van de snelle, maar ook vluchtige, social media besproken worden.
Dit is dan de vijfde en laatste opdracht.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder algemeen, Zwolse politiek

Michiel de Ruyter

De relatie overheid en burger staat in de belangstelling, als ik kijk naar de grote hoeveelheid artikelen en brochures zie verschenen is ( hoeveelheid is enkelvoud).
Ook van mij, als kijk naar het aantal stukjes op mijn blog.
imageVandaag las ik in de Stentor de leiderschapsvisie van Michiel de Ruyter. Kort gezegd, bepaal het doel en laat de manier om daar te komen over aan hen die het moeten uitvoeren.
Ik vroeg me af hoe je hiermee om moet gaan in de relatie tussen overheid en burger. Beter nog in de driehoeksverhouding tussen burger – raad – college.
Als raadslid weet je dat je taak drieledig is: kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend.
Kaderstellend en controlerend zijn begrippen die passen bij de leiderschapsvisie van Michiel de Ruyter. Formuleer doelen (kaderstellend) en evalueer achteraf (controlerend).
Als ik mij dan de collegevoorstellen en de debatten herinner, gingen die vaak over het “hoe”, dus de uitvoering. Maar dat terzijde.
De vraag is, op welke manier passen we hier de betrokken burger in.
Ik denk op twee manieren.
“Wat” je wilt bereiken bespreek je als gemeenteraad met burgers en instanties die te maken hebben met het dossier.
Voor “hoe” je het wilt bereiken betrekt het college, en namens hen de ambtenaren, de burgers/instanties die het aangaan.

Een striktere scheiding dan nu wordt toegepast lijkt mij een goede bijdrage aan een effectieve tijdsbesteding van de gemeenteraad.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder algemeen

Herijking democratie

Onlangs heeft de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau de Kees Lunshof-lezing gehouden over “Maatschappelijke tegenstellingen en het vertrouwen in de democratie”.
Ik twitterde er al over.
Het is de moeite waard om iets uit de lezing door te geven. Het zal/moet helpen bij het concreet maken van democratie vandaag de dag: de nieuwe verhouding tussen overheid en burger.

Er is een zevental redenen die ons dwingen tot een herziening van het democratisch systeem in Nederland:
– Opleidingsniveau en levensverwachting van de burgers ligt hoger dan ooit
– Innovatie in ICT hebben gevolgen voor contact met politici en pers
– Je mag zorgen hebben over de ontmanteling van de pers; niet objectieve feiten maar sensatie is leidend geworden
– De stap voor stap doorgevoerde decentralisatie van overheid naar gemeenten
– Grootschalige privatisering van publieke diensten naar de markt
– Groter beroep op burgerschap in doe-democratie leidt tot meer betrokkenheid van participerende burgers
– Grootschalige internationalisering van ons bestuur, grotere invloed van Europese regelgeving.

Er is een democratisch tekort, dat wordt onderscheiden in een politiek en een maatschappelijk democratisch tekort.
Over het politieke democratisch tekort zegt de tekst (citaat):
“Het politieke tekort gaat over niet gehoord worden, belabberde communicatie en gebrekkige informatievoorziening. In het algemeen zien we dat wel degelijk 90% van de Nederlandse bevolking de democratie steunt en dat 70% er redelijk tevreden over is. Dat zijn in algemene zin positieve cijfers, ondanks het vele gemopper op het politieke systeem. Als je daar verder naar vraagt dan blijkt slechts 12% echt tevreden met het representatieve stelsel, maar ook slechts 16% zeer ontevreden en voor een directe democratie. Echter, 72% van de bevolking ziet meer in allerlei combinaties. Daar moet echt werk van worden gemaakt, maar een gekozen burgemeester is inmiddels onvoldoende.”

Het tekort van de maatschappelijke democratie gaat over zeggenschap in instituties zoals scholen, ziekenhuizen etc.: “Religie of levensovertuiging zijn daarbij allang niet meer de bindende kracht tussen meer en minder kansrijke groepen, waarbij de een de ander vertegenwoordigt. Ik zie drie zorgelijke trends die zelfs voor een verdere polarisatie zorgen.”
Die zorgelijke trends zijn:
– Groter wordende afstand tussen laag en hoog opgeleiden
– Mensen die het meest zijn aangewezen op zorg van hulp en buren de kleinste netwerken hebben
– Toenemende verschillen op etnisch gebied.

“Terwijl meer participatie dus het doel is, ontstaat er nieuwe ongelijkheid doordat de politieke en maatschappelijke democratie te weinig meebewegen op de veranderde maatschappelijke werkelijkheid”.
Dat leidt tot de democratieparadox: het doel is de burgers te betrekken of te representeren, maar de uitkomsten leiden tot meer ongelijkheid en boosheid.
Deze paradox kent drie onderdelen:
De communicatieparadox: doordat steeds meer mensen met steeds meer middelen en een hogere opleiding zeggenschap en inspraak kunnen invullen, maar daar binnen het politieke en maatschappelijke systeem niet de ruimte voor hebben, nemen of krijgen.
De controleparadox: doordat steeds meer publieke taken en voorzieningen op afstand zijn geplaatst om meer klantgericht te kunnen werken, maar daarover steeds meer verantwoording moet worden afgelegd zonder dat inzicht ontstaat in de maatschappelijke effecten.
De gelijkheidsparadox: doordat enerzijds de politieke democratie en de verzorgingsstaat met zijn maatschappelijke verbanden erop gericht waren om iedereen zo gelijk mogelijk te behandelen, maar ze anderzijds door een gebrek aan aanpassingsvermogen nieuwe ongelijkheden hebben gecreëerd tussen mensen die wel en niet mee kunnen of mogen doen.

Kim Putters, de directeur van het SCP, formuleert de agenda van de democratie:
Het zijn 5 voorstellen als antwoord op de democratieparadox.
– Nieuwe combinaties van representatieve en participatieve democratie
– Grotere griffies, betere scholing en hogere vergoedingen voor raadsleden
– Betere en actieve rekenkamers
– Betere bezwaar- en beroepsprocedures en lokale ombudsfuncties.
– Meer onafhankelijke informatievoorziening en sterkere media.

De lezing sluit af met een tweetal citaten.
Barack Obama: “een democratie kan alleen goed functioneren als we op de goede bedoelingen van medeburgers vertrouwen.”
Herman Tjeenk Willink: “Macht zonder voldoende tegenmacht wordt absolute macht.”

Tot slot
Er zijn de laatste jaren nogal wat publicaties over dit onderwerp verschenen. Het wordt tijd dat praten over omgezet wordt in handelen.

Voor hen die verder willen lezen (alle teksten staan op internet):
– Tegen verkiezingen, David van Reybrouck
– Vertrouwen op democratie, ROB
– Loslaten in vertrouwen, ROB
– Vertrouwen in burgers, WRR
– Een beroep op de burger, SCP
– Van eerste overheid naar eerst de burger, VNG
– Wat weten we – tot nu toe, John van Boven
– Smart government, Jaring Hiemstra
– Montessori democratie, Tonkens

Of via bundel(tje) met samenvattingen:  Burgerbetrokkenheid

2 reacties

Opgeslagen onder algemeen

politiek en burgers – vervolg – 6

In het VNG rapport, “Van eerste overheid naar eerst de burger” worden ook onderwerpen aangesneden die van belang zijn voor het nadenken over burgerbetrokkenheid. Vooral hoofdstuk 6 (de improviserende gemeente: naar een nieuwe rolopvatting?) is van belang. Uit dat hoofdstuk een aantal citaten.
Het hoofdstuk begint met twijfel over de effectiviteit van het huis van Thorbecke.
Bij mijn afscheid van de raad vroeg ik me al af hoe Thorbecke vandaag zijn huis zou hebben ingericht. Vanwaar die twijfel?
“In hoeverre komt ons democratisch stelsel tegemoet aan burgers die hun denkbeelden of voorkeuren met betrekking tot de publieke zaak in het politieke handelen willen terugvinden? Die kans is door allerlei factoren vrij gering.” Waarom is die kans gering?
“Overigens kunnen de meeste burgers ook de gang van zaken binnen die partij nauwelijks beïnvloeden omdat slechts een paar procent van het electoraat als lid bij een politieke partij aangesloten is. Hebben ze eenmaal hun voorkeur uitgesproken voor partij of kandidaat dan is het de vraag of deze deel van de regering gaan uitmaken. De sterke differentiatie van het politieke landschap in ons land maakt dat regeren altijd om een coalitie met andere partijen vraagt.”
“En gaat de coalitie eenmaal van start dan komt het regelmatig voor dat bestuurders van hun beloften afwijken omdat er inmiddels een nieuwe situatie is ontstaan of omdat ze hun verantwoordelijkheid als bestuurder zo serieus nemen dat ze hun programma prijsgeven.”
Conclusie van het rapport: “Het groeiend aantal mondige burgers heeft in toenemende mate moeite met de manier waarop het stelsel van Thorbecke functioneert.”
Het rapport stelt dan ook: “Het wordt meer en meer een zaak van de burgers zelf en dan vooral van degenen die een extra inspanning doen, die tijd en moeite besteden aan een maatschappelijk doel of die hun talenten inzetten om aan het algemeen belang bij te dragen.”
“Misschien moeten we nu een stap verder gaan door te erkennen dat er de komende jaren een dynamiek ontstaat die zich niet langer met de gebruikelijke middelen laat aansturen.”
Het rapport pleit dan ook voor de kunst van het improviseren. Dat moet dan wel in de lijn gebeuren.
Het rapport beschrijft het als volgt:

Ambtenaren (organisatie)
Niet alleen de gemeentelijke wijkcoördinatoren zijn zogenaamde big persons die de relatie tussen initiatieven en gemeente vormgeven. Hoewel het een precaire en zeer belangrijke functie is, zullen verreweg de meeste gemeentelijke ambtenaren zich in deze rol moeten gaan voegen en daartoe het maatschappelijk initiatief moeten doorgronden.

Collegeleden (bestuur)
Bestuurlijke wisselingen en het daarmee verloren gaan van gemaakte afspraken of mondelinge toezeggingen zijn een klassiek (en onoplosbaar lijkend) probleem, maar in verhouding tot maatschappelijke initiatieven wel bijzonder relevant.

Raadsleden (politiek)
Niet langer de gemeenteraad als enige platform zien voor democratische processen, maar erkennen dat democratische processen zich ook al in de samenleving afspelen onder andere in maatschappelijke initiatieven. De rol van de raad kan dan vooral procesmatig zijn in het helpen vormgeven van de dagdagelijkse democratie in buurten en wijken. Vroegtijdig aansluiting zoeken bij maatschappelijke initiatieven om daarover mee te denken en daarin ook een nieuwe achterban te vinden.
Het rapport waarschuwt: “Ten slotte wijzen wij op een meer algemene consequentie van dit alles. Er zal zowel op ambtelijk, als op bestuurlijk en op politiek niveau een grotere mislukkingstolerantie moeten ontstaan.”

Het hoofdstuk eindigt met 7 stellingen.
“1. Er is een nieuwe maatschappelijke realiteit ontstaan die de gemeenten vroeg of laat tot een nieuwe rolopvatting dwingt.
2. De dynamiek van maatschappelijke initiatieven stelt de gemeente in staat om ruimere definities van de publieke zaak te ontwikkelen.
3. Contacten met de burgers die zich inzetten voor een maatschappelijk initiatief moeten primair in het teken van erkenning en waardering staan.
4. Het feit dat de gemeente vaak een invloedrijke speler is, betekent dat haar optreden niet aan lagere maar juist aan hogere eisen moet voldoen.
5. Maatschappelijke initiatieven zouden vaker aanleiding voor experimenten moeten zijn waarbij de gemeenten hun vermogen tot improviseren versterken.
6. Wil de gemeente een rol spelen bij de bloei van een maatschappelijk initiatief, dan moet ze rekening houden met de specifieke uitdagingen die zich per fase aandienen.
7. Gemeenten kunnen hun rol als ‘eerste overheid’ alleen waarmaken als ze de kansen die uit deze maatschappelijke initiatieven voortvloeien ten volle aangrijpen.”

1 reactie

Opgeslagen onder Zwolse politiek

Politiek en burgers – vervolg – 3

De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft nog een nuttige brochure het licht doen zien: Loslaten in Vertrouwen (2012).

In dit stukje daaruit citaten, die bedoeld zijn als bouwstenen voor het denkproces over de relatie tussen politiek en burgers.
Ik beperk me tot citaten uit de samenvatting, hoewel het hele advies meer dan de moeite waard is om kennis van te nemen.

De samenvatting begint als volgt:
“Nu het geloof in de markt als de plaats waar complexe problemen in een spel van vraag en aanbod het beste kunnen worden opgelost aan erosie onderhevig is en het vertrouwen dat de overheid veel van die taken weer kan terugnemen ontbreekt, vindt het pleidooi voor burgers die meer verantwoordelijkheid nemen voor de publieke zaak gretig aftrek.”

Een tweede overweging:
“Met zijn doelstelling te komen tot een compacte overheid sloot het kabinet-Rutte I zich bij de roep om een verschuiving van taken en verantwoordelijkheid naar de samenleving aan.”
Met de volgende kanttekening:
“Volgens de Raad is sprake van vermaatschappelijking als de overheid publieke taken en de daarbij behorende verantwoordelijkheden en bevoegdheden overlaat aan burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven.”

Twee overwegingen dus voor de verschuiving van taken van de overheid naar de samenleving: meer verantwoordelijkheid voor burgers en de wens van een compacte overheid.

De ROB plaatst de volgende kanttekeningen:
– “Aan pleidooien voor burgers die meer taken van de overheid moeten overnemen ligt doorgaans het impliciete oordeel ten grondslag dat burgers zich nu nog te weinig betrokken tonen of onvoldoende hun verantwoordelijkheid nemen. Een overvloed aan onderzoeken toont echter aan dat Nederland zich kan verheugen in zeer actieve en betrokken burgers.”

– “De motivatie van de overheid bij het overdragen van publieke taken aan burgers en hun verbanden is daarbij cruciaal. Die ligt nu eenzijdig bij bezuinigen en de realisatie van een ‘compacte overheid’. De belangrijkste reden voor vermaatschappelijking zou echter de erkenning moeten zijn dat politiek en bestuur voor kennis en ervaring afhankelijk zijn van de inbreng vanuit de samenleving, dat de overheid het uiteindelijk niet alleen kan.”

De ROB waarschuwt ook nadrukkelijk:
– “Vermaatschappelijken van publieke taken is een recept voor teleurstelling als bewoners en hun verbanden worden gereduceerd tot uitvoeringsinstanties die de orders vanuit het gemeentehuis moeten uitvoeren.”
– “De voorwaardenscheppende staat heeft alleen kans van slagen als ook de domeinen van markt en samenleving adequaat functioneren en ze onderling met elkaar in balans zijn. De drie domeinen moeten daar worden ingezet waar hun logica en eigenschappen winst kunnen opleveren. De omslag betekent bovendien een andere werkwijze voor ambtenaren. Die zullen meer de procesbegeleider moeten worden die met betrokkenen en belanghebbenden – waaronder het politieke bestuur – toewerken naar een duidelijk omschreven doel en de daaraan verbonden noodzakelijke interventies.”
– “Politici en bestuurders moeten leren loslaten, durven zeggen dat de overheid niet overal over gaat. Zij kunnen niet elk probleem oplossen of elk gevaar uitsluiten.”

Deze laatste waarschuwing is mij uit het hart gegrepen. De praktijk laat zien dat dit vreselijk lastig is. De burger wordt een plek gegund, maar dan wel in het bestaande systeem. Vandaar ook dat de ROB stelt:
– “Aan de rolverandering van de overheid ligt niets minder dan een paradigmashift ten grondslag. De omslag begint door ervan uit te gaan dat wat nodig is in de eerste plaats groeit in de samenleving en haar gemeenschappen.”
– “Ruimte geven aan de vitaliteit van de samenleving krijgt meer kans als de overheid de overheidsparticipatietrap zo min mogelijk beklimt.”

Hoe ziet die overheidsparticipatietrap er uit?
1. Loslaten ~ Wanneer de overheid een taak helemaal loslaat, heeft ze inhoudelijk noch in het proces enige bemoeienis.
2. Faciliteren ~ De overheid kiest een faciliterende rol als het initiatief van elders komt en zij er belang in ziet om dat mogelijk te maken.
3. Stimuleren ~ Een trede hoger heeft de overheid wel de wens dat bepaald beleid of een interventie van de grond komt, maar de realisatie daarvan laat ze over aan anderen. Ze zoekt slechts naar mogelijkheden om die anderen in beweging te krijgen
4. Regisseren ~ Wanneer de overheid kiest voor regisseren, betekent dat ook andere partijen een rol hebben maar dat de overheid er belang aan hecht wel de regie te hebben.
5. Reguleren ~ Bovenaan de trap staat het zwaarste instrument dat de overheid kan inzetten, namelijk regulering door wet- en regelgeving.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Zwolse politiek

Politiek en burgers – vervolg – 2

Ik denk na over de relatie politiek en burgers.
Input kan daarbij ook geleverd worden door het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (de ROB): Vertrouwen op democratie. (Februari 2010). Een zeer lezenswaardig advies.
In dit stukje geef ik daaruit wat door. Bouwstenen voor een denkproces.

In het voorwoord stelt de ROB dat er sprake is van een legitimiteitscrisis:
“Er is dringend behoefte aan een bestuursstijl, die niet in de eerste plaats wil beheersen op basis van regels, maar de dialoog zoekt op basis van de feiten. En die accepteert dat ook in de publieke ruimte permanent verantwoording moet worden afgelegd en vertrouwen moet worden geworven.”

De ROB constateert dat “de samenleving horizontaliseerde in haar verhoudingen, terwijl het politieke bestuur goeddeels als vanouds – dus uitgaande van verticale, hiërarchische gezags- verhoudingen – bleef opereren. Dat wringt.”
Ze constateert verder dat “de wijze waarop de politiek functioneert en zich organiseert, niet meer past bij de manier waarop de samenleving is georganiseerd.”

De ROB zegt: “Verticaal georganiseerd bestuur en finale besluitvorming op basis van een democratisch mandaat is onmisbaar en zal dat blijven. Het is belangrijk dat instituties besluiten nemen, knopen doorhakken, toezicht houden en sancties uitdelen. Maar zij moeten dat doen in voortdurende verbinding met de publieke ruimte. Wanneer zij dat nalaten tast dat de legitimiteit van hun besluiten aan.
Dat werpt een nieuwe vervolgvraag op: hoe kan het verticaal georganiseerde politieke bestuur zich weer verbinden met de horizontale samenleving?”

De Raad ziet vervolgens drie verbindingspunten.
Citaten:
– In de eerste plaats moet de politiek weer vooral gaan opereren vanuit waarden en beginselen
Politici, partijen, bestuurders maar vooral burgers hebben veel meer aan een kader dat hen houvast geeft bij onverwachte gebeurtenissen dan aan een door de feiten snel achterhaald programma.
– In de tweede plaats meent de Raad dat mensen aanzienlijk meer invloed moeten krijgen op beleid en besluitvorming. Het is in een democratie niet voldoende dat zij eens in de vier jaar op een politieke partij kunnen stemmen.
– In de derde en laatste plaats vindt de Raad dat burgers meer invloed moeten krijgen bij de keuze van hun politieke leiders.

Nog noet zo lang geleden heeft Wallage, vorzitter van het ROB, een lezing gehouden over dit onderwerp. Op mijn vraag hoe deze overwegingen te vertalen in een concrete werkwijze, kondigde Wallage aan dat er binnenkort een brief komt, die daar op ingaat.

Ik voel me zeer aangesproken door de opmerking: “Politici, partijen, bestuurders maar vooral burgers hebben veel meer aan een kader dat hen houvast geeft bij onverwachte gebeurtenissen dan aan een door de feiten snel achterhaald programma.”

Ik ga nu geen concrete invulling geven. Het stukje is vooral bedoeld om denkstof aan te reiken.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Zwolse politiek