Tagarchief: Windesheim

Zwolle en de Grote Kerk

Het gaat goed met de Grote Kerk.
Het denken over de toekomst en over de financiën die daarvoor nodig zijn, heeft geresulteerd in een programmatische benadering waarvan ik elke maand een overzicht binnen krijg.
In dat programmatische kader hebben we 2 concerten meegemaakt in de Grote Kerk: de Messiah en Canto Ostinato van Simeon ten Holt. De kerk zat stampvol respectievelijk vol.
Dan denk je al heel snel dat de Grote Kerk zijn plek heeft ingenomen in de Zwolse culturele samenleving. Dat zou mooi zijn.

Doordenkend, vraag ik me toch een paar dingen af.
In de eerste plaats, kan de Grote Kerk zich een eigen plek verwerven als het gaat om concerten? We hebben De Spiegel, we hebben Odeon. Hoe permanent zal dan het succes zijn, dat we zagen bij de beide genoemde concerten.
Daarnaast, de Grote Kerk kan niet wedijveren met De Spiegel en met Odeon als het gaat om basisvoorzieningen: zeer beperkt aantal toiletten en onvoldoende ruimte voor catering in de pauze. Bij de Messiah zag ik mensen die met een wijnglas in de hand weer plaats namen na een pauze.

Zijn er andere mogelijkheden voor de Grote Kerk? Mogelijkheden die bestaande voorzieningen eerder versterken dan dat ze concurrerend zijn?
Je zou een beeld moeten schetsen van Zwolle in 2025. Om vervolgens te bezien welke stappen nu gezet moeten worden, op weg naar die toekomst. En natuur meer dan bereid zijn om onderweg zaken bij te stellen als nieuwe omstandigheden daarom vragen.
Waarover zou dan gefilosofeerd kunnen worden?
Ik denk dan aan de wederzijdse versterking die Zwolle en Windesheim voor elkaar kunnen betekenen. Kan Windesheim meer voet binnen de binnenstad krijgen? Goed voor Windesheim maar ook goed voor Zwolle als studentenstad.
Is er meer en verdergaande samenwerking mogelijk tussen het Stedelijk Museum (nieuwe directeur), Historisch Centrum Overijssel (nieuwe directeur) en de Fundatie.
Kan de Grote Kerk daarin een toegevoegde waarde zijn?

Wat zou het mooi zijn als betrokken partijen, waar natuurlijk ook de gemeente bij hoort, in een setting vergelijkbaar met Hanzelab, hierover vrijelijk hun gedachten en ideeën de vrije loop laten gaan. Om daarna te bezien of er iets gemeenschappelijks is te ontdekken.

Wellicht wil er iemand reageren. Dat kan onder dit blog, maar ook naar johnvboven@planet.nl

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder algemeen

Machinemuseum Zwolle

Vanmorgen (dinsdag 1 februari) ben ik op werkbezoek geweest bij het Machinemuseum in Zwolle. Tegenwoordig gehuisvest in een grote hal aan de Boerendanserdijk. Met veel enthousiasme en inzet hebben veel vrijwilligers de hal omgetoverd tot een plek waar de machinehistorie van Nederland zichtbaar wordt gemaakt.
Ik ga het in dit stukje niet hebben over de manier waarop we als gemeente tot nu toe zijn omgegaan met de belangen van dit cultureel erfgoed en nu eigendom van de gemeente Zwolle.
Ik wil het wel hebben over wat mij getroffen heeft tijdens het bezoek. Mijn gesprekspartners waren Tiem van Dalfsen en Jaep van Dijk. Twee mannen die overlopen van enthousiasme en bij elke machine een prachtig verhaal kunnen houden.
En daar zit ook de bron van wat mij getroffen heeft.
Je kunt de machines benaderen als technisch vernuft en als stukje uit een historische keten van de machineontwikkeling.
Maar. Je kunt elke machine ook zien als het plaatje bij een stuk uit de vaderlandse geschiedenis of als het product van vernuft en van goed management.

Ik geef – kort – drie voorbeelden. Voor de volledige verhalen moet je bij het museum zijn.

Voor de Tweede Wereldoorlog was men al zo slim om na te denken over een kunstbunker. Waar de kostbare kunst beschermd kon worden tegen eventueel oorlogsgeweld. Die bunker is gebouw in Paasloo. Voor de nodige voorzieningen werd een machine ontworpen die niet te veel geluid produceerde en die zo min mogelijk “uitlaatstoffen”  afgaf. Die machine is er gekomen. Die machine staat nu in het Machinemuseum in Zwolle.

In Veenendaal stond een textielfabriek die bijvoorbeeld de stoffen weefde, waarvan pakken werden gemaakt die toentertijd gedragen werden door mijnwerkers. Maar ook de Staphorter stoffen. Toen Den Uyl en zijn kabinet besloten de mijnen te sluiten, viel een groot deel van het afzetgebied van de fabriek weg. Gevolg sluiting. Een van de machines van toen staat nu bij het Machinemuseum. Zie de foto.

In de Tweede Wereldoorlog hebben de Duitsers alle motoren uit de Nederlandse treinen gehaald, omdat het dezelfde motoren waren die in hun tanks zaten. Met als gevolg dat we na de oorlog wel treinen hadden, maar dan wel zonder motoren. Het toenmalige kabinet was zo slim om een aantal slimme mensen de opdracht te geven om een nieuwe motor te ontwikkelen. Dat gebeurde aan de Technische Universiteit Delft. Het originele prototype en een “echte” V-motor staan nu in het Machinemuseum.

Dit brengt mij tot een aantal overwegingen (is wat anders dan stellingname)

  1. Het museum heeft een bredere waarde dan alleen die van een verzameling machines en motoren. Het is vaderlandse geschiedenis, met een sterke sociaal economische kant. Het museum zou er goed aan doen om die bredere betekenis van het museum te vermarkten.
  2. Daarnaast heeft het museum een educatieve betekenis. In opleidingen nu is het belangrijk om studenten te laten zien, wat de “voorouders” waren van de machines en motoren van nu.
  3. Ik zie ook een, om het maar zo te noemen, pedagogische kant aan het museum. Techniek is leuk en dat kun je duidelijk maken met behulp van deze historische machines.

Deze aspecten, zou je toch zeggen,  moeten terug kunnen komen in het netwerk dat er rond zo’n museum moet (kunnen) ontstaan. Dan is het mogelijk dat en gemeente, en opleidingsinstituten als Landstede, Deltion en Windesheim, en bedrijven in het algemeen gezamenlijk hun schouders zetten onder deze unieke verzameling.

John van Boven

 

4 reacties

Opgeslagen onder Zwolse politiek